proef: proza

 

Amputatie

Federico’s vader spot letterlijk de wereld uit de wolken, maar ook hij heeft geen oog voor de armen op Federico’s rug. Hij hurkt vanop een floccuswolk die over de troposfeer kantelt. Hij krabt aan zijn adamsappel en zwaait. Zoals mensen gewoonlijk doodgaan.
In kleermakerszit plukt Federico gras uit de aarde. Hij zit vaak in de tuin, tussen de anjers en de potjes munt van mama, om na te denken of te dromen. Een insect huppelt met de blik van een spiegelpaleis over het gazon en splitst zich op met een plopperig geluid, zoals in de tekenfilms. Twee wordt vier en vier wordt acht, acht zeventien en zeventien irrationaal. Federico gaat liggen en voelt hoe het eskadron tamme mieren, rupsen en krekels over hem wandelt.
Vele mensen voelen zich geïntimideerd door Federico, hoorde hij, maar Federico zwijgt meestal omdat hij niet veel kan zeggen over bepaalde dingen. Tafelvoetbal, bijvoorbeeld, of Belgische bieren of de schokdempers in skateboardwieltjes. Federico houdt van vintagebehangpatronen en de theorie over de eeuwige terugkeer, maar vindt bijna niemand om daarover te praten. Behalve Lila, die hem onlangs een plaat van Cole Porter en een boek van Kundera cadeau heeft gedaan en daarvoor een pak slaag van haar vader kreeg.
In de keuken duwt mama Sabrina een kurk in de fles wijn terwijl de risotto suddert en dorstig bouillon absorbeert. Vreemd aan haar is dat ze oorbellen draagt op weekdagen als de zon schijnt en dat ze in het weekend in kladderig Japans haar minnaar opbelt. Dan staart Matteo met een stalen blik in de spiegel en scheert hij zijn schedel terwijl hij op zijn hielen leunt. Mama zeurt al lang om te verhuizen naar een stadje dat Zanarkand heet en in het Verre Oosten ligt.

‘Dat is ver,’ zegt Matteo dan altijd, ‘jij bent gek. Vuurwerk in je hoofd, karakissshhhh!’

‘Maar het is mijn droom.’

Matteo spuwt evidente argumenten en mama pelt ajuinen.
Uit het gras stijgen razendsnel reuzenvlinders op. Federico zoekt naar de bron, het eerste insect dat zich met een sprong vermenigvuldigd heeft en dat door de warmte ontpopt is tot het ongediertetapijt waaronder hij ligt. Hij staat recht en schudt ze van hem af. De vlinders curven rond hem, doorheen de kolk staart hij naar zijn ruziënde moeder en broer die niets opmerken. In de snelheid verschijnt een meisjesgezicht. Het meisje heeft sproetjes als nootmuskaat, ze liggen niet op haar huid, maar zweven erboven, zoals bij Lila.

(…)

Het vervolg van deze tekst lees je in de papieren versie van DW B 2016 3.

 Mastodont 

1. Y Garcia M.
  caravan – Russische toendra – winter

Mijn evenbeeld is een Idee, een aanblik, een etalagepop zonder geheugen. Helblauw geschilderde ogen waarmee hij wazig voor zich uitstaart, in de verte een vrouw in het vizier heeft die goud in de aarde zoekt en met haar hand blijft steken aan de gebogen vingers van aardappelwortels.

 

‘Zo introduceert Bashir Maresqué haar, wanneer Y Garcia M. de passage in zijn dagboek over hun niet zo toevallige ontmoeting opnieuw leest. Die avond, weet je nog? Als ik lees hoe Y Garcia M. alles verzamelt, denk ik altijd dat mijn herinneringen congrueren met de zijne. Die avond, weet je dat niet meer? Met de oranje zon die lekte en over het landschap druppelde? En de diepe walm van deodorant die opsteeg uit het publiek? Je proefde de alcohol in de lucht als je je tong uitstak. Je weet wel, na de voorstelling waar IJzermond Y Garcia M. met een kanon door de lucht schoot. Nee…?’ Zij. Ljoedmilla. Vaak houdt ze redevoeringen over de darmflora van Ideeën, overtuigd dat diens eindproduct aanvoelt als rotte brie (het culturele nazinderen van elk bovennatuurlijk wezen of idee zou ze afstoten), en over het Goede op de bodem van een halfvolle fles wodka (alles zou na de afdronk in een moediger licht verschijnen). En altijd heeft ze honger en dorst. Misschien hield ze daarom van hem.
‘Ik herinner het me vaag, ja. Ja, dus?’
‘Ik weet het niet. Het toeval domineert. Public bathroom cleavage, bijvoorbeeld, zo heet het vierde hoofdstuk van Mastodont. Het is een hoofdstuk waarmee ik mijn schedel zou bedrukken, schat. Weet je waarom het hoofdstuk zo heet?’ vraagt hij haar, maar ze luistert niet, ze knijpt in haar lepel. De gasstoof gaat uit en hij serveert de pan kale macaroni.
Buiten sneeuwt het donzige vlokken, het landschap is wit nu. Hij denkt met nostalgie terug aan ’s zomerse zonnebuien, beeldt zich in hoe de planten als fossielen uit groen glas zouden verschijnen en verwelken. Was die zon maar krachtig genoeg! Dan zetten ze de tent weer op.
‘Het is niet gezond één boek zo goed te vinden.’

(…)

Het vervolg van deze tekst lees je in de papieren versie van DW B 2017 3.

Akoestiek 

La Strega hoort hem door het raam: driemaal laat hij de bronzen hendel uit de leeuwenbek op de deur vallen. De weduwnaar kamt zijn hagelwitte haar naar achteren, zet zijn hoed weer op, recht de revers van zijn blauwe colbert en drukt met twee vingers zijn roze zakdoek netjes in zijn vestzakje. ‘Ciao!’ roept ze en hij kijkt naar boven. La Strega, voor sommigen Siena’s edele courtisane, voor andere simpelweg Siena’s hoer. Ze is geen rimpel verouderd.

  ‘Wacht je daar even, lieverd?’ Ze wijst naar het overvolle terras aan de overkant. Raadt hem de tonijnsalade aan. In de hoop dat La Strega de vleugels op zijn enkels niet opnieuw zal kortknippen, hijst Bartolomeo zijn cello op zijn linkerschouder en steekt hij onder de bolle, gele wolk Piazza Del Campo over. 

Op het terras merkt hij dat de commedia dell’arte onbewust nog wordt opgevoerd. Het plein zwermt van figuren als Il Dottore. Zoals daar meer zwijn dan vent, hemd strak rond hangbuik, de mond onder het masker vol saus- en wijnvlekken, spreekt het aantal graden Celsius uit wanneer hij het LED-scherm van een apotheek voorbij wandelt, mekkert om zijn gelijk en op z’n Italiaans plukt hij lucht.

  Hij gluurt naar haar appartement en merkt zo niet dat hij een briefje van vijftig in het zilveren schaaltje met de rekening schuift. Hij ziet hoe ze naakt voorbij het open raam danst. Even blijft ze voor het wapperende gordijn staan; zet dan een stap vooruit. De tegenwind sluit het gordijn rond haar peervormige taille; het stof verschuilt zich verlegen tussen haar dijen. Ze streelt het satijn met platte hand, zwaait ze? Hij staat op.

Haar appartement is niet veranderd. Het bed staat klaar op een verhoog, als een podium, de lakens aan het uiteinde als een geopend blikje sardienen, de hoofd- en sierkussens ernaast over het parket verspreid. Links van het bed de keuken en kleine woonkamer gevuld met schildersezel, platenkast- en speler en een gedekte wasmachine die dienstdoet als keukentafel. Hij herkent de gulden snede in de mandala die ze op de muur schilderde; misschien, bedenkt hij, de plattegrond van de stad. Ooievaars vliegen boven Siena en zien namelijk de doorsnede van een slakkenhuis, met in het midden van die spiraal Piazza del Campo. Waar La Strega woont met haar betoverd bed.

Oneindig lange benen 

Het is zo, zowaar ik besta. Ik zit te lezen en ik lees: ‘het is zo’. Mensen die naar me luisteren, weten dat het de waarheid is: ‘het is zo,’ zeggen ze.

Ik heb mijn benen over elkaar gelegd. Het debuut ligt op mijn schoot. Met mijn duimnagel pruts ik tussen mijn tanden. In de hoek zit een vrouw ook te lezen. Ze leest het boek van de uitbater van dit boekencafé. Het is hetzelfde boek als het mijne. Zij weet niet dat ik het boek aan het herlezen ben. Ze bestelt een koffie en kijkt naar mij. Ik haal de duimnagel uit mijn mond. Ze duikt terug in haar boek, ik kijk naar haar benen, oneindig lang en magisch. Ze doen je dromen. Ze kijkt weer naar mij en ik leg mijn hoofd, beschaamd, terug tussen de bekende woorden. Het café staat vol schrijfmachines. De vrouw die het boek leest, onderstreept er iets in. Misschien dat verdriet het duidelijkste voorbeeld is van het weinige dat de wereld voor ons betekent. Misschien leest zij dit boek nergens anders dan op de plaats waar het is geschreven, maar dat kan niet, want dan had ik haar al eerder gezien.

De vrouw met haar oneindig lange benen en ik zijn maar kleine schakels in de literatuur. Hoe zij leest, weet ik niet, maar mijn ervaring ermee kan ik in de volgende formule gieten: schrijvers vechten met zichzelf, lezers vluchten van zichzelf. Dat is een gewone rekensom. Als schrijvers zichzelf vinden in een boek, wordt schrijven gereduceerd tot mentale yoga. Als lezers zichzelf herkennen in de strijd van de schrijver, zijn het narcisten. Dan worden schrijvers spiegelfabrikanten. Dan bestaat de schrijfmachine uit een inwendig mechanisme dat de wereld aantrekt, het relevante opslaat en die gemarkeerde informatie vervolgens weer oproept wanneer er nood naar is. Alsof literatuur de taak heeft een verzonnen probleem op te lossen. Alsof een schrijver een profeet is. Ik neem mezelf voor dat het logisch is dat er stiltes vallen als je een schrijver ontmoet.

Het vervolg van deze tekst lees je op:https://passionateplatform.nl/2016/07/22/oneindig-lange-benen/

We zijn goden met kringspieren

Brakke en ik zien elkaar ‘s ochtends om Jong Schuim nogmaals te beklinken met bier, later misschien met whisky. Allebei werken we ’s nachts: ik verzin en hij plakt kartonnen dozen dicht. Afgelopen nacht ploeterde ik op de eerste tekst die in Jong Schuim kan verschijnen. Toen ik naar de klok keek en wist dat Brakke pauze had, stuurde ik hem een sms: ‘slaapmutsje?’ Nu haast ik me om het kruispunt veilig te verlaten. Ik ontwijk ook een platgereden duif.

 

We zijn vrienden omdat we een gemeenschappelijke interesse hebben: fictie. Allebei zoeken we naar wat niet bestaat. Ik ben echter de enige die schrijft. Hij is diegene die naar me opkijkt. Daar kijk ik dan weer op neer. Dan voel ik me goed als ik hem kan helpen. Daar draait deze vriendschap in essentie om. En om grote dromen.

  Ik betaal een parkeerticket. Ik heb vier euro. Koop twee uur. Voel naar de sleutels in mijn broekzakken en begeef me naar het verwarmd terras waar we kunnen roken. Waar we bij wijze van spreken al sinds de uitvinding van het schrift papier met ideeën trachten te bekladden.

Mijn blauwe pak heeft glimmend zwarte revers. Ik schrijf altijd in pak, het is mijn uniform. De vier oudjes die op het terras van hun koffie nippen, kijken naar me. Ik draag het pak al enkele dagen en het zit onder de bruine en witte vlekken – sigaretten, koffie, tja. Dat ik niet weet wat ze denken, prikkelt me. Hier leef ik voor.

Onder de rand van de luifel vind ik twee vrije tafels. Ik schuif één ervan dichter bij de elektrische verwarming en bestel bier en lucifers bij de ober die met een dienblad vol lege glazen over de treden balanceert. Mijn Tigra’s haal ik uit de voering van mijn colbert en ik gooi ze op het tafeltje. Wanneer Brakke aan komt fietsen, bestel ik koffie voor hem, omdat ik weet dat hij altijd moe is na het werk. Maar hij straalt een luiheid uit die van een zekere kracht lijkt te getuigen. Het lijkt wel alsof zijn luiheid hem beveelt om volhardend met twee voeten in zijn noodlot te staan. En ik weet zeker dat er geen geluk vloeit uit wat rond hem gebeurt. Zou hij het tegendeel beweren, dan is dat maar om mijn kleine succes te ondermijnen en me op te jagen. In werkelijkheid zie ik hem spartelen en voel ik medelijden opborrelen. In werkelijkheid slaat hij zijn ogen op, recht hij zijn ruggengraat en komt zijn verbeelding in beroering wanneer ik onze grandioze plannen injecteer met het beetje leven dat ik het weet te verlenen. Ik zie dat hij snakt naar een droom die onbereikbaar boven zijn slapend hoofd zweeft, maar op zijn minst realistisch lijkt en hem even zou kunnen laten proeven van het leven buiten de middelmaat.

Tijgerstrepen

Om het nachtelijke avontuur, het onderwerp van dit verhaal, te laten bezinken, lig ik voor de Atlantische oceaan met mijn knieholtes rond de rotsrand en mijn nek achterwaarts gestrekt om te zien hoe Ierland er ondersteboven uitziet. Ik probeer niet na te denken en dat lukt niet. Ik tel de grassprieten boven me per tien op mijn linkerhand, per honderd op mijn rechter en per een in mijn hoofd. De heuvels onder me kan ik op mijn tenen tellen. Je zou beweren dat ik me verveel, maar ik heb een hoop, vanuit het kosmische plan bekeken: nutteloze, vragen te beantwoorden. En ik verveel me niet, want op elke nutteloze vraag, ken ik duizend antwoorden, ook al bestaat er op sommige vragen maar één mogelijk antwoord. Ik kan in- en uitademen, op- en afademen, rond-en rondademen, als ik het me verbeeld. Zo springt er een draak met veren uit het water, scheurt hij door de hemel en spuwt hij schuim op de weeën van de zee. Ach, mijn leven is doodsimpel zoals dat van iedereen. Wat waar is: ik kan dood zijn als ik nu recht ga zitten en me van de rots afduw. Wat ik me verbeeld: al het nutteloze.

Nu schommel ik met mijn benen.

Van zo’n hoogte op de strandrotsen springen zou een verspilling zijn van een leven lang aan mogelijkheden, echter wat is dat, een mogelijkheid? Ook Held kon me daar geen mogelijk antwoord op geven. Hij spartelt nochtans in de mogelijkheden. Zo zijn we ook in die dierentuin beland, trouwens. Maar ik loop op de verbeelding vooruit.
Verhalen vertellen is hekserij, het helpt mij herinneren, helpt mij begrijpen, helpt mij handelen. Er zit een onzichtbaar jongetje naast me dat me verhalen wil vertellen, laten we het zo stellen. De lucht smaakt zoutig door het verdampte zeewater. Ik laat mijn neus rusten in de herfstige bries die horizontaal over mijn gezicht stroomt en mij vervult met de geur van wild gras. Ik zie Held voor me, een geest in de mist, die mij verlaten heeft. Ik begrijp dat hij daar alle recht toe had. Ik wil zijn motieven uitpluizen. Ik schommel nog steeds met mijn benen. Mijn hielen tikken tegen de rotswand en er vallen kiezels in het water, dat rimpelt. Ik draai mijn hoofd naar het onzichtbare jongetje naast me. Genoeg gedacht.
 

Held

Met een Iers accent vroeg hij me mijn bril van de neus, om een krant te lezen. ‘Yé, mate,’ begon hij, zijn hand reeds uitgestrekt. Ik dacht dat het voor Ieren misschien de gewoonte was om elkaars bril te lenen. Hij gooide de krant in de richting waar hij hem gevonden had. Ik was bang dat hij mijn bril door de plas bier terug naar me toe zou schuiven, of het montuur in de vinnen van de ventilator zou kraken, maar hij plooide de benen ervan dicht en legde hem in mijn handpalm. Hij deed het zo voorzichtig dat het beledigend was.

‘Niets interessants te lezen?’ vroeg ik. Ik probeerde zijn Ierse accent te evenaren.

‘Nee man,’ zei hij, ‘niets memorabel gebeurd vandaag, helaas.’

‘Ik ben Elvis.’ Ik stelde me onmiddellijk voor.

‘Noem me gerust Held’ zei hij. Ik vond het een belachelijke naam, maar ging daar niet verder op in.

‘Het is tijdelijk,’ reageerde hij, mij geruststellend 

Virtuele navelstrengen en hoe ze door te knippen (Gepubliceerd op literair platform Hard//Hoofd)

[Fade/In.]

De vissen stikken. Otto zit weg te rotten en heeft er geen oog voor. De lente is als een rat in de val in zijn libido gevaren. Hij grijpt zijn buikvet vast en trekt eraan. Gehaast wandelt hij van zijn bureau naar zijn zetel en terug en wacht hij op niets, ook ziet hij het troebele water in het aquarium niet. [Camera tolt rond zijn lichaam, stoot aquarium op de grond.] Het aquarium spat uiteen en Otto schuift de lippenstift die Kim op het nachtkastje achterliet open en dicht. Alle mensen en dieren op de wereld zijn bol en opgetut met lippenstift. Schuilt daar een verhaal in? Het verhaal van uitgeholde voetpaden en walnoten gevuld met hersenen die door ronde deuren rollen en in korven slapen? Of het verhaal van een met kennis opgeladen, roodgeverfde gehaktbal? Van melkwitte giraffen met eczeem die hun beenderen uitholt, waardoor ze neervallen en in een bol krullen? Het verhaal van de euforie van verstopte aderen onder de huid? [Montage.] Hoe klinkt een gelukkige schrijver? Zoals Kim met haar ogen knippert als ze wakker wordt, zich optut om de bus richting werk te nemen en merkt dat de rottende vissen zich over de vloer verspreiden.

Ooit schreef Otto een roman die nooit gepubliceerd werd. Iedereen die het las, vond het een slecht boek, maar Otto is koppig en schrijft wel meer boeken die iedereen slecht vindt. Hij woont op de zolderkamer van Kareltje. In ruil draagt hij aan Kareltje verhalen op en neemt hij het huishouden voor zijn rekening. In het midden van de kamer ligt een berg boeken. De boekenkast die tegen de scheve muur staat, puilt uit van de boeken, het ontsteekt en ettert. [CGI.]

  Hij geeft het niet graag toe, maar in die boeken staan overgeschreven zinnen die hij gebruikt wanneer hij vaststeekt in een gedachtengang. Het is het medicijn voor de zonde. Wat ook helpt wanneer Otto niet schrijven kan, is de klink van de deur van de slaapkamer vastgrijpen tot zijn knokkels spierwit kleuren, zijn ogen dichtknijpen zodat zijn oogkassen spierwit kleuren, de deur openen en zien wat er in zijn hoofd verschijnt. Een brandende struik die Otto iets influistert. Iets Chinees. Otto vraagt duiding. Kippenblokjes in zoetzure saus met noedels en een portie kroepoek. Nummertje tweeëndertig.

En het toilet roept. Ten aanzien van de gewoonte staart hij door het zolderraam naar de metalen lucht en hoe de staarten van de satellieten voorbij ijlen. De atmosfeer is bedekt met satellieten. Overal wifi. Overal en altijd internationaal contact. De mensen zijn verbonden met navelstrengen vol geel-groen-rode elektronische draden. Het is het arpeggio van vogelgetjilp als iemand iets zegt wat je aanbelangt. Pfieuw-pfieuw-pfie. Een oude foto die een duimpje krijgt. Een politieke kleur die aquarel wordt. Een vriend van je die een muziekje ontdekt dat dagenlang in je hoofd kolkt. Een minuscule trilling die het vacuüm in atomen opensnijdt, je trommelvlies raakt en je concentratie absorbeert. Altijd herinnerd worden aan alles is zoiets als in het verleden leven en de toekomst voorspeld zien. Het probleem is niet dat zoiets in principe geen leven is, het probleem is dat zoiets nu eenmaal geen leven is.

  Otto vergat een boek van de berg te grissen om op het toilet te lezen. Hij neemt de wc-rol en scheurt de velletjes eraf.

  ‘Ze houdt van me, ze houdt niet van me, ze houdt van me, ze houdt niet van me. Over wie heb ik het eigenlijk? Kim?’