proef: poëzie

Vier gedichten uit Pantheïst en Zeemeermin

Vader de zeemeermin

Door zich voort te planten denkt mijn vader aan taxonomie te doen, 

daar is eigenlijk niet veel aan, want ik ben zijn enig kind ik speel wel

samen met een voodoo-pop een quatre-mains, il bruciato tango
d’odio omdat clichés zonder bloed niet kunnen dansen 

en een foetus verdwaalt zonder leiband

hij spande stembanden in de vloer zodat moeder
zou horen waar ik kruip en sta en rol en hij 

legde me met een kaars uit wat een zon is

en zei; ’s nachts vangen we dan met een emmer vol
kwallen in aluminiumfolie het licht op 

om niet te verdwalen op 

een dag bruschette eten en zijn mond afvegen
en zeggen dat verdriet niet gezocht moet 

wij zijn raarste zielen die horror zien in piano’s en verf en klavieren

in marmer en letters en in de zeemeermin die hij geworden is 

om niet te verdwalen op 

een dag bruschette eten en zijn mond afvegen
en zeggen dat verdriet niet gezocht moet 

wij zijn raarste zielen die horror zien in piano’s en verf en klavieren

in marmer en letters en in de zeemeermin die hij geworden is 

Gras op vader (requiem met vertraging)

Dat vader me straft kan ik lezen
aan de riem die ik nu nog meedraag en
de wijsheid dat beenderen pas breken
wanneer donder steen is. 

Nu nog spreken we van wat niet droevig is.
Van vlees en van gesmolten zilver,
wollig sneeuw in wimpers
stolt op de laatste dag tot porselein.

Van hoe het visioen van vader bezweet
vorm onder spoken ontdekt.
Want de liefde is ook verzinnen wat je vandaag al verzon.

Van hoe iets de zon in zwarte bladeren bedekt, luister dan
naar het sissen van verdoofde lettergrepen. Van
iedereen die nooit vroeg wie of wat,
waarom hij zoiets als angst had.

Flessenpost

Zou je niet denken dat alles in elkaar past

wanneer schepen aanspoelen in fles op dit eiland

de zee de handen vouwt en de boodschap

voor scheuren beschermt in fles dan

jeukt de ziel van stikwerk. 

Bijt de draad uit mijn lippen. Hier

drupt mijn hartslag in het zand, botsen 

lichamen als zoeken naar de afkomst
van een bout. Melk uit de zoute palmboom.
Hier vloeit elektriciteit als ontzenuwde kwal
ondergronds als geduldig bloed een echo 

in de verte een uur van dof dreunend brons,
uur van dof dreunend brons, uur van dof
dreunend brons van blauw glasraam dompelt

zich vice versa in blauw glasraam

en af en toe wat wit, dit lijf dat hol klinkt

als jouw gouden mond als graaier in aarde

en de verbeelding als een spade: flessenpost dat iets ons redt

voor iets ons inhaalt.

Pantheïst en zeemeermin

De pantheïst rustte op de kappersstoel en zong:

Ik zie niets: je knipt in het donker
je tong klikt in het donker
we praten in het donker, dat zwarte
en misschien slapend knip je mijn haar

kort in de spiegel, die hoek, daar, 

staren we ver weg naar elkaar

we rijmen in de verte door de rede
en licht onder water sterft in vrede

en af en toe wat wit, dit lijf dat hol klinkt

als jouw gouden mond als graaier in aarde

en de verbeelding als een spade: flessenpost dat iets ons redt

voor iets ons inhaalt.

in je mond brandt geen lamp
je tong likt met het kleine 

kampvuur op zijn buik
het ijs op de wegen van de geest weg en ja

ik geloof in alles en de zeemeermin,
de dode beesten op de bodem, wij bewaren
de moorden onder de zeespiegel
zodat ze niet spreken als onze liefde en

zou licht gezongen zijn
mij slapend veroveren, en jij nu, zeemeermin, ja
snij mijn haar tot ik matroos was en
jou zingend zag vasthangen aan het schip waar je

ja op het droge je lucht drinkt
en je bezeten losrukt ja
zwem je baantjes lang
tot de bodem en terug 

voor een laatste keer de zonneschim de nachtzon in je haren je stem zien in de spiegel ja

mensen zakken sissend in glazen water waar wij onze moorden bewaren onder de spiegels waar we zien. 

De pantheïst zag op de kappersstoel en sliep buiten adem.